LJG Twente is er ook voor U.

16 december 2017 | 28 Kislev 5778

Derasja Rosj haSjana 2015

De Akeda, volgens het mozaïek in de vloer van de sjoel van Beit Alpha

Derasja Rosj haSjana 2015

Het onzichtbare gorilla-experiment

Tijdens mijn opleiding onderwijskundig leiderschap heb ik eens een youtube-filmpje mogen bekijken. Over het doel van dit filmpje voor mijn opleiding wil ik het niet hebben, maar gedachten over dit filmpje zijn me bijgebleven.

Zes jongelui; drie mannen, drie vrouwen, gooien een bal naar elkaar over. Opdracht aan ons: tel het aantal keren dat zij de bal naar elkaar overgooien. Na het filmpje kon iedereen feilloos dat aantal keren noemen. Onderwijzers kunnen over het algemeen wel aardig tellen. Rekenen schijnt een ander verhaal te zijn. Maar de vraag welke zevende verschijning men in het filmpje had gezien bleef onbeantwoord. Niemand had een zevende persoon gezien. Toen werd het filmpje nog eens bekeken: en daar verscheen een als grote gorilla verkleed mens, die dwars tussen de ballengooiers door liep, even zwaaide, en weer vertrok. En het was echt het zelfde filmpje. De opname op dit filmpje wordt dan ook ‘het onzichtbare gorilla-experiment’ genoemd. Een manshoge gorilla loopt dwars door het beeld en niemand die hem ziet. Want de kijkers waren zo gefocust op het ballen gooien dat men iedere andere informatie uitsloot. Men zag alleen wat men moest zien. Dit zijn gaten in onze waarneming, die bestaan naast de gaten in onze herinnering. Dit heet in de wereld van de psychologie inattentional blindness, niet geheel dekkend vertaald met onoplettendheids-blindheid, en daar hebben behalve onderwijsmensen, zeker ook beleidsmakers, politie en justitie veel mee te maken.

We lazen zojuist het verhaal waarin Awraham op aandrang van Sara zijn andere vrouw Hagar met haar zoon Jisjmael de woestijn instuurt. Morgen wordt in sjoel over het vervolg gelezen: de Akedat Jitschak ofwel de Binding van Jitschak, op een altaar door zijn eigen vader Awraham. Een verhaal dat al millennia wordt gelezen op Rosj haSjana; over de keuze door onze vroege rabbijnen van exact deze parasjot voor beide dagen is veel te lezen.

Nu komt er in het verhaal over Awraham en Hagar en over de Binding van Jitschak geen onzichtbare gorilla voor maar het onzichtbare gorillafenomeen vinden we hier wel terug in de Thora.

Hagar en Jisjmael werden dus de woestijn ingestuurd. Waarom dan ook – ze kregen onvoldoende water mee en het water raakt dus op. Hagar vreest dat Jisjmael zal sterven van dorst, maar dan op het laatste moment, spreekt een engel Hagar aan en vertelt haar dat God haar klagen over haar kind heeft gehoord en dat zij gered zullen worden. Het vervolg wordt gewoonlijk uitgelegd als een Godswonder; daarom staat het ook in de bijbel. En ja: er verschijnt een waterbron, zodat Hagar en Jisjmael zich kunnen verfrissen en de waterzaken kunnen hervullen. Maar dat is niet wat de Thora ons hier precies zegt. Er staat: Wajifkach Elohiem et eineiha wateree be’eer majiem. Toen opende God haar de ogen en ze zag een waterput. Ber. 21:19 Dit is makkelijk als volgt uit te leggen: de bron was er al lang, maar Hagar was om een of andere reden niet in staat die te zien.

Rabbi Benjamin, die in de Midrasj van Genesis Rabba 33:14 wordt aangehaald, zegt ook dat hieruit blijkt dat mensen soms ziende met blindheid geslagen zijn tot de Eeuwige hen het licht in de ogen laat schijnen, hen de ogen opent. Waarom was Hagar zich absoluut niet bewust van de aanwezigheid van de bron die recht voor haar lag? Vanwege, misschien wel, dit onzichtbare gorillafenomeen.  We zien blijkbaar niet, wat we niet verwachten te zien. We zien blijkbaar alleen maar dat, wat we in onze hersens al hadden vastgelegd om te kunnen zien. Haar smeken, haar wanhoop, haar zorg om water, haar gebed werd zo intens dat ze daardoor nieuwe sporen in haar denksysteem opende, zodat ze daarom pas ontdekte wat er al was.

In Thora zijn meer onzichtbare gorillaverhalen te vinden. Ook dus, in het verhaal van morgen, van de tweede dag.

Op het hoogtepunt in het verhaal houdt Awraham een mes boven Jitschak, klaar om zijn zoon te offeren, te slachten, tot er op het allerlaatste moment en engel van God tot Awraham roept en zegt: ‘Awraham, Awraham!’  En hij antwoordt: ‘hinenie – hier ben ik.’ God zegt dan: ‘Raak de jongen niet aan; doe hem niets. Nu weet Ik dat je ontzag voor God hebt; je hebt Mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’ En dan lezen we: ‘wajissa Awraham et einav – toen Awraham opkeek’ en dan: ‘wajar wehinee, hij zag en kijk:, ayil acheer ne’echaz basbach bekornav – een ram die met zijn hoorns verstrikt was geraakt in de struiken.’   

Rammen zijn geen kleine stille lieve heersbeestjes. Het zijn hele grote heersbeestjes. Hoog op een berg hoor je slechts de wind. Dat er een ram vlak bij Awraham in de struiken vastzit, terwijl Awraham dat niet in de gaten heeft, tot hij eens opkijkt, is bizar en niet voorstelbaar. Voor ons.

Tenzij je bedenkt dat op dat moment Awraham enkel bezig was met die zojuist gekregen Goddelijke opdracht: zijn kind de keel door te snijden. Niets anders tolt nog door zijn gedachten, het sluit zijn zintuigen af, het verstomt zijn denkvermogen, zijn menselijkheid verdween. Aan de ene kant kan zo een totale focus prachtig zijn – zoals een artiest of een atleet zich volledig op zijn prestatie kan richten. Voor ons is Awrahams’ overgave aan zijn offer afgodisch. Misschien moest hij zich wel afsluiten van zijn omgeving om hiertoe te kunnen overgaan.

DAT er een ram in de struiken vastzat was al een teken van boven, waardoor Awraham niet zijn zoon, maar dat beest kon nemen. Maar hij was zo verblind, dat God met plan B kwam en zelfs een engel op pad moest sturen om hem er op te wijzen. Die ram zat er wellicht de hele tijd al te mekkeren. Twee tekens waren dus nodig om Awraham te laten zien.

Hagar en Awraham waren blind voor hun omgeving. Pas als Hagar wanhopig wordt en vreest voor het leven van haar kind gaan haar de ogen open. En Awraham was zo gedreven Gods opdracht te vervullen, dat hij de escape niet zag.

De kabbalistische traditie heeft veel nagedacht over dit gebeuren, dit verschijnsel. Ze hebben oren maar horen niet; ze hebben ogen maar zien niet – lezen we in enkele psalmen. Rabbijn Jitschak Luria en de Ba’al Sjem Tov noemden dit mochin de katnoet, Aramees voor ‘klein of beperkt bewustzijn.’ Moach is je verstand; katan is klein. Dit overkomt ons zodra we de wereld door het smalle perspectief van ons eigen ego zien. Zonder het perspectief dat we zouden hebben gehad vanuit een breder oogpunt.

In Israël kennen we de uitspraak Rosj katan – een klein hoofd, vergelijkbaar met mochin de katmoet. De Rosj katan is bij voorkeur een overheidsdienaar die slaafs zijn opdracht uitvoert zonder in te zien dat het altijd deel van een groter geheel is. De stereotiepe Pruisische ambtenaar. Met geen interesse voor alternatieven. Kent u ze: die zeggen: ‘dat weet ik niet, ik werk hier alleen maar?’ Iemand die zelfs door die ene boom het bos al niet meer ziet. En dat ook niet wil, want het is zijn taak niet.

Maar volgens de kabbala is er een oplossing. Een stap naar achter nemen en breder kijken. Dat heet dan mochin de gadloet; een breder bewustzijn. Gadol is namelijk groot.

Slechts zo ontwaren we de wereld zoals die is. In de moderne tijd horen we dat soms wanneer ruimtevaarders vertellen over hun ervaring, wanneer ze in de ruimte zijn geweest. Wie de kleine blauwe bol heeft zien draaien in het eindeloze heelal heeft pas door dat alle grootse conflicten op aarde er niet toe doen, omdat we als wereld een geheel moeten zijn. Wie ziet hoe dun en ijl de dampkring is, hoe de bewolking in spiralen draait in die dampkring, snapt de zorg die zij hierover hebben. Niet de helicopterview, zoals we dat zo vaak noemen, maar de profetenview zouden we het moeten noemen. Maar ondertussen zien we slechts illusies, dat wat we willen zien of wat ons wordt voorgehouden dat we moeten zien. Mensen die zelf niet mogen denken hebben daar nogal eens last van – of juist niet.

Ik las van Rabbijn Rami Shapiro over hoe hij de naam van dit feest van Rosj haSjana ook interpreteert. Rosj haSjana betekent natuurlijk hoofd, ofwel begin van het jaar. Maar sjana is behalve het woord voor ‘jaar’ ook de wortel van het woord voor verandering.

Spelend met de Hebreeuwse grammatica, en dat doen kabbalisten zo graag, komen we met ‘Rosj haSjana’ op ‘begin van verandering.’ We zouden onze hoofden moeten veranderen, onze instelling, van katnoet naar gadloet. Voorbij onze eigen ego’s - en de rest negeren, met een blik voorwaarts ten behoeve van onszelf en de wereld. Zou het werken? Denk nog eens aan die onzichtbare gorilla. De enige reden dat niemand die gorilla zag was, omdat we bezig waren met de opgedragen taak. Tellen. Zonder die opdracht om te tellen hadden we waarschijnlijk  die aap wel gezien en ons afgevraagd wat die bij dat balspelletje deed. We missen gewoonweg te veel, omdat we zo veel bezig zijn met wat we moeten. Als burgers herkennen we dit vaak bij bestuurders, en vragen ons af hoe het beter zou kunnen; zelf weten we dit ook meestal niet. Niet in de laatste plaats wanneer het de beleidsmakers in Israël en van de Israëlische en Palestijnse Arabieren betreft. Elkaar begrijpen en keuzes durven maken. Eens een stap terug te zetten en het geheel nog eens overzien.  

Wanneer mensen over hun schaduw heen kunnen stappen en verder willen kijken dan hun eigen belang reikt, elkaar halverwege kunnen benaderen, en wantrouwen laten veranderen in vertrouwen, hoop de plaats laten innemen van angst, zou het bestaan op veel plaatsen een stuk makkelijker worden. Wanneer ook binnen het Joodse spectrum vroom, vrij, strikt en vrijzinnig elkaars kanten eens op zouden kunnen kijken en eens elkaar zouden accepteren als volwaardige vormen van Jodendom. Dat we mogelijkheden in plaats van belemmeringen zouden zien. Maar ook beperkingen voor lief willen nemen.

Van Hagar en Awraham naar vandaag. Het verschil tussen vertwijfeling en zegen is nauwelijks een verschil van levensomstandigheden; het is vaker een verschil in bewustzijn en perspectief.

We zijn aan het nieuwe jaar begonnen; een mijlpaal in de tijd. Hoewel het ieder uur van de dag, 365 dagen per jaar, mogelijk is  over onszelf uit te stijgen, doen we dit gewoonlijk niet. Want het kan morgen ook nog wel. En dat is precies wat ons ervan weerhoudt af en toe een stap terug te nemen en naar ons eigen denken, invoelen en handelen te kijken. Onze levens zijn vaak zo ingericht dat we er ook nauwelijks de mogelijkheid toe hebben en dat we er al helemaal niet toe uitgedaagd worden. Wat zou het niet goed zijn af en toe kritisch naar ons eigen denken te kijken en te beschouwen of dat nog wel in lijn is met ons echte willen. Daarvoor hebben we behalve moed ook een momentum nodig. De maand eloel, die er nu op zit, omdat tisjri is begonnen, en deze periode tot aan Jom Kipoer zijn traditioneel de aangewezen dagen de voet van de trapper te nemen en weer eens naar ons zelf te kijken. Ook om eens met onszelf het gesprek aan te gaan. Waar schoot ik te kort? Waar moet ik nog aanvullen? Wie moet ik nog wat vertellen? En soms ook: bij wie moet ik juist mijn mond eens houden?

Rosj haSjana is gekomen om ons een moment van zelfverandering voor te leggen. Om ons weer uit te dagen met de keuze om te werken aan het goede en om het kwade te laten. Om in allerlei situaties en relaties het glas liever halfvol dan halfleeg te zien. Om dat wat wij zijn en hebben steeds weer te kunnen beschouwen als begin van een stap voorwaarts in plaats van een belemmering of het lot.  

Mogen wij deze Rosj haSjana gezegend zijn met de mogelijkheid het onzichtbare te kunnen zien en de zegeningen die recht voor ons liggen kunnen vinden.

Ik wens u goede dagen toe, en een gezond, zoet, vruchtbaar en vredig 5776.

Sjana tova

Bert Oude Engberink - 14 september 2015 / 1 tisjri 5776

Nieuws

Op 7 december werd er op het in Amsterdam aan de Amstelve Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

december

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31