LJG Twente is er ook voor U.

19 augustus 2017 | 27 Av 5777

Derasja Sjabbat Balak

Bileam en de Engel van Rembrandt

Derasja Sjabbat Balak

 Vandaag zien we weer dat de Thora een zeer veelzijdig boek is. Wekenlang hebben we sidrot gelezen over de inrichting van het tabernakel en de aankleding van de cohaniem, over de inrichting van de vele offers en zo voorts. Vandaag, in de sidra Balak, gingen we weer verder met een zeer verhalende en onderhoudende tekst. Er zijn zelfs enige alinea’s die de basis kunnen vormen voor een succesvolle Hollywood comic. We lezen poëzie en proza, en de profetie hier roept vragen op over onze status als “een volk dat apart leeft” – hoezeer is dat vandaag de dag nog zo. Vragen die volgens mij de sidra Balak behalve humoristisch ook verwarrend voor ons moderne joden maken.

Waar zie ik de humor? Bil’am, zogenaamd een ziener, is blind voor obstakels op de weg, die zijn sprekende ezelin zonder moeite kan zien en er zelfs mee om kan gaan. Deze man heeft een levensonderhoud gemaakt van zijn mogelijkheid boodschappen van God te ontvangen en door te geven, maar hij is niet in staat de engel, de goddelijke boodschapper, te zien die recht voor hem staat. Bil’ams ezelin daarentegen blijkt een voorbeeld van wijsheid en empfindlichkeit te zijn. “Heb ik mij soms ooit eerder zo gedragen?” vraagt de ezelin aan haar meester (Num. 22:30), nadat hij haar drie keer met een stok mishandeld heeft. Zij bedoelt te zeggen: “Zou je me na al die jaren nog niet kunnen vertrouwen dat ik jou geen kwaad zou doen?” Bil’am moet de engel dan wel herkennen: “Ik wist niet dat u mij de weg versperde.” Vers 34. Hij wekt nog sympathie op ook. Hoe vaak horen we zelf de boodschappen niet die we liever niet willen horen. Hoe vaak zien wij Gods boodschappers niet die pal voor ons staan?  Bil’am heeft een taak waaraan hij zich liever zou onttrekken. Ook dat kennen we allemaal.

De tweede komische scene handelt over Balak, de koning van Moav, die Bil’am inhuurde, die heen en weer rent tussen offerplaatsen in de hoop een gunstige plek te vinden van waar hij Bil’am het volk Jisrael kan laten vervloeken in plaats van te zegenen. Wij kunnen lachen, vanuit ons zichtpunt ver weg in Balaks toekomst: Israël werd maar liefst drie maal door hem gezegend en de Moabieten zijn verdwenen uit de geschiedenis. Die arme koning dacht nog dit te kunnen winnen, maar voor hem helaas. Hier bleek God aan onze zijde. Balak liet Hij in zijn hemd staan.

Balak was niet de eerste, noch de laatste vijand van ons die klaagde dat ons volk te talrijk (22:3) of te machtig (22:6) was. Dezelfde woorden gebruikte farao al, en Haman en Hadrianus, Ferdinand en Isabella en Hitler en Hamas, en vele anderen door de eeuwen heen. Wij hebben geleerd dat wijze en machtige mannen en vrouwen die de wildste beschuldigingen tegen ons uitspreken altijd serieus genomen moeten worden. Wij kunnen hun stellingen belachelijk vinden: anderen nemen ze wel serieus, dus moeten wij dat ook doen. Daar hebben we Poeriem aan over gehouden. En we weten ook dat schijnbare lofzangen uiteindelijk vloeken blijken te zijn, en andersom. Helaas konden wij Joden niet altijd als laatste lachen in deze situaties.

Maar dan, aan het eind van de sidra, verschuift de humor naar tragedie. Moav kan zijn zin niet krijgen via de vervloekingen die maar niet uit Bil’ams mond willen komen, maar het lukt de Moabitische vrouwen wel de Israëlieten in discrediet te brengen. Zij brengen de Israëlitische mannen tot ontucht en afgoderij (25:2). God beveelt dat deze mannen ter dood worden gebracht. Mozes beveelt zijn getrouwen die mannen om te brengen, net als na de zonde met het gouden kalf. Als voorbeeld volgt het verhaal van Pinchas, Aarons kleinzoon, die een stelletje, dat in alle openheid voor de tent van samenkomst paradeert, aan een speer rijgt. 24.000 Israëlieten worden omgebracht. Toe maar. Tragedie volgt op tragedie. 

Onze geleerden stonden versteld van Bil’am. Was hij onze vriend? Of toch niet? Hij volgde immers Gods bevel op om Israel te zegenen en niet te vervloeken. En zijn zegeningen waren zo mooi dat we die elke ochtend als eerste tekst herhalen zodra we in sjoel beginnen. Ma tovoe ohaleicha Jaakov, misjkenoteicha Jisrael. (26:5). Een zegen, uit de mond van een niet-Joodse profeet, waarmee wij elke dag ons gebed beginnen. Daarnaast zou Jisraël, zo profeteerde Bil’am heel nauwkeurig, “een volk zijn dat alleen woont, niet gerekend onder de volkeren” (23:9). Hoe waar tot op heden, tot bij de VN aan toe.

Na dit hele gebeuren volgt dus direct het verhaal waarin God de oorlog eist tegen de Midianieten, Balaks bondgenoten in zijn strijd om Israël te vervloeken, als straf voor hun succesvolle aanzet tot die orgie en de afgoderij (25:16). En Balak sneuvelt daar (31:8).

De hele geschiedenis door was dit verhaal de Bijbelse reden dat vaak niet-Joden gewantrouwd werden – en worden. De ervaring is vaak geweest dat onder de dunne laag vernis van beschaving onvervalste risjes zaten. Wij werden op afstand gehouden, maar zelf hielden we ook graag afstand. Maar dat is niet wat de Thora van ons verwacht. Awraham rende zijn tent uit om voorbijgangers binnen te halen, ze te voeden, te drinken te geven en onderdak te verlenen. Ook hebben wij veel te danken gehad aan de niet-Joden om ons heen en maken wij dankbaar gebruik van alle faciliteiten die de algemene wereld ons biedt. Onderwijs, zorg, cultuur, samenleving, vriendschappen, familie, noem maar op. Al is er vaak een glazen plafond of een onzichtbare scheidingswand, we kunnen hoog en ver komen. Het Jodendom heeft altijd getracht een balans te vinden tussen interne en externe betrokkenheid. Tussen focus op de eigen zuil en op het universalisme, Joodse noden en algemeen menselijke nood. Soms staan we apart van de wereld, op andere momenten moeten we en kunnen we een integraal deel van de mensheid zijn.    

De parasja Balak geeft uitdrukking aan het feit dat het evenwicht soms moeilijk te vinden is. De Thora, ons verdrag met God en met elkaar, dwingt ons om samen te werken met anderen, waarbij we wel moeten blijven letten op onze eigenheden en we soms wat afstand moeten houden. Terwijl wij ons contract bij de Sinaï tekenden, bleef God ons voorhouden dat de héle wéreld Hem toebehoort. Ons verbond bij de Sinaï is een verbond in een lange reeks: van het verbond van de aartsvaders, en daarvoor al het verbond met Noach, dat de hele mensheid betreft. De regenboog is hiervan het teken. God spreekt niet enkel tot Bil’am, maar ook tot Awimelech, koning van de Filistijnen, en tot Hagar, moeder van Ismael en dus van de Arabieren. Óns heilige boek is er duidelijk in: Joden hebben geen monopolie op Gods genade. 

De vragen die opkomen bij de mooie en trieste verhaal-delen van onze parasja zijn altijd actueel geweest. Vandaag nog meer dan in vroegere tijden. Hedendaagse antwoorden zullen ook nauwelijks te bevatten zijn voor onze voorouders. Zij hadden weinig ervaring met een pluralistische samenleving en democratie en konden zich nauwelijks voorstellen welke zegeningen de Joden in de 21e eeuw in het vrije westen en in onze eigen staat Israel zouden gaan genieten. Het nog immer en blijvend bestaande antisemitisme van nu zouden zij sneller begrijpen. Deel van de schoonheid van onze tenten van vandaag bestaat uit een gelijkwaardige interactie met de buitenwereld. Deel van de enorme zegen van joods te zijn in 2016 is dat Joden niet enkel op zichzelf zijn aangewezen, apart staan, maar terwijl we onze eigenheid bewaren, op ieder terrein samen kunnen werken in gelijkwaardigheid met anderen.

Sjabbat sjalom.

Sjabbat 23 juli 2016 / 17 tammoez 5776 - Bert Oude Engberink

 

Nieuws

UNESCO, Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

augustus

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31