LJG Twente is er ook voor U.

16 december 2017 | 28 Kislev 5778

Derasja voor erev Rosj haSjana 2015

Derasja voor erev Rosj haSjana 2015

 

Er zijn twee teksten in Tenach die me steeds weer zeer raken en die veel te maken hebben met de dagen die voor ons liggen. Dichter bij de Eeuwige kan je denk ik niet komen. En die nabijheid zoeken we nu juist deze maand.

De eerste tekst is Shemot (Exodus) 33: 21-23. Na de gebeurtenissen met het gouden kalf heeft de Eeuwige besloten niet meer zelf mee te trekken met het volk, dit tot grote ontsteltenis van Mozes. Deze vraagt, omdat hij niet meer weet wat hij doen moet, of Hij toch niet duidelijk kan zijn over wie of wat Hij nu eigenlijk is. Met andere woorden: of hij zijn aangezicht wil laten zien.

Hierop krijgt hij ten antwoord: Je zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven. Maar zie, bij Mij is een plaats, waar je op de rots kunt staan; wanneer mijn heerlijkheid voorbij gaat, zal Ik je in de rotsholte zetten en je met mijn hand bedekken, totdat Ik ben voorbij gegaan. Dan zal Ik mijn hand wegnemen en je zult Mij van achteren zien.... 

De vraag naar het wezen van G-d, of zelfs naar zijn bestaan, is zo oud als er sprake van hem is. Niet alleen het volk, maar zelfs onze grote leraar had zijn vraagtekens.

Nadat Mozes opnieuw de stenen platen heeft uitgehouwen, klimt hij de berg op en daar plaatst de Eeuwige zich in een wolk naast hem, gaat dan aan hem voorbij en roept:

De Eeuwige is en blijft de Eeuwige, een almachtig G-d, barmhartig, genadig, lankmoedig, vol van liefde en waarheid........

Deze twee platen waarop de verbondsacten staan geschreven, zijn essentieel in ons leven als Jood en juist daarin zijn we het meest kwetsbaar.

In 1165 voltrok zich een drama voor de Marokkaanse Joden. Ze werden door een fanatieke Moslimsecte, de Almohaden, gedwongen afstand te nemen van hun Jood-zijn en zich te bekeren tot de Islam. Sommigen ontvluchtten het land, anderen verkozen de dood en weer anderen gaven aan de oproep gehoor. Velen binnen deze laatste groep kwamen in gewetensnood, probeerden hun joodse leven zoveel mogelijk in het geheim vol te houden en voelden zich in hun hart joods. Ze vroegen een rabbijn of het gedeeltelijk en in het geheim houden van de geboden hen nog als Jood kwalificeerde. Het antwoord was duidelijk maar hard: ze hadden moeten kiezen voor de dood, de breuk was volkomen en onherstelbaar. Een compromis was in deze niet mogelijk.

De naam van deze rabbi is niet bekend, misschien met opzet verzwegen?

Maar de naam van een andere rabbijnis ons wel bekend: Mozes Maimonides. Ook hij nam kennis van deze reactie. Hijzelf, geboren in Cordova in 1135, had evenzeer te maken met vervolging en gedwongen bekering. Op 13-jarige leeftijd werd hij gedwongen om met zijn familie deze stad te verlaten die eveneens door de Almohaden was veroverd. Na enige verlichting van het juk van de Almohaden in Marokko, kon hij zich daar vestigen. Hij ergerde zich mateloos aan het antwoord van de rabbijn. Deze had volgens hem geen enkel idee van wat het betekende om zo onder druk te worden gezet en te worden vervolgd  met gevaar voor eigen leven. Zijn antwoord kwam in de Iggeret ha-Shemad: ‘Een brief over gedwongen bekering’.

Toch is zijn antwoord eveneens vrij hard en duidelijk: wanneer je gedwongen bent om zelfs maar één gebod te overtreden, moet je weggaan en net zolang blijven zoeken tot je een plaats hebt gevonden waar je wèl volgens de Tora kunt leven. Wanneer je zegt dat je onder druk van buiten sommige geboden niet kunt houden, is dat een ontheiliging van G-ds naam, niet opzettelijk maar bijna wel. (Sommigen denken dat Maimonides zelf ook enige tijd zich heeft bekeerd tot de Islam uit lijfsbehoud) Tegelijkertijd verdedigde hij degenen die een andere keuze hadden gemaakt

Ze hebben verkeerd gehandeld, maar onder doodsbedreiging. Hun naleven van de geboden voor zover mogelijk, wordt gunstig door de Eeuwige beoordeeld. Ze blijven Joden!

Wat was er verkeerd aan de reactie van de eerste rabbijn? Maimonides beriep zich op een tekst uit Spreuken 6, 30: Veracht een dief niet wanneer hij steelt om zijn honger te stillen. Verwelkom ze wanneer ze stilletjes naar de synagoge komen om te bidden.

Ik moet hierbij denken aan de vele Joden die om het vege lijf te redden in en na WO II hun Jood-zijn hebben ontkend of verzwegen, ook later tegenover hun eigen kinderen, deze zelfs niet hebben laten besnijden. Hoe hoog is de drempel die voor hen wordt opgeworpen?

De brief van Maimonides is een voorbeeld van een moeilijke keuze die soms gemaakt moet worden op moreel gebied: het combineren van voorschrift en mededogen.

Hij ging in zijn brief verder met het verwijzen naar de profeten van Israël, ook zij wezen met niet mis te verstane woorden op de tekortkomingen van het volk, maar ze hadden ook een andere functie: ze moesten het volk verdedigen bij de Eeuwige.

Hij noemt daarbij nadrukkelijk de profeet Elia.

Onder de regering van Izebel was de Baäldienst de officiële cultus van Israël geworden. G-ds profeten waren gedood en diegenen die nog waren overgebleven, hadden zich verstopt. Elia kon dit niet langer aanzien en besloot het volk voor de keuze te plaatsen, ze konden en mochten niet langer in een dergelijke situatie blijven leven. Het verhaal is verder bekend. Nadat het offer door vuur uit de hemel was aangestoken (een duidelijker teken van G-ds goedkeuring was nauwelijks denkbaar), werden de Baälspriesters bij de beek Kishon afgeslacht. G-d zou vast zeer tevreden zijn over Elia’s actie. Maar Izebel liet het er niet bij zitten. Ze probeerde Elia te doden en opnieuw moest hij vluchten.

En dan verschijnt de Eeuwige hem opnieuw en stelt hem de vraag: “Wat doe je hier Elia?” Zijn antwoord is: “Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de G-d der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten......”

Dan spreekt de Eeuwige tegen hem in een visioen en dat is mijn tweede tekst:

“Ga naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht van de Eeuwige”.

En zie toen de Eeuwige juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de Eeuwige uitging. In de wind was de Eeuwige niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de Eeuwige niet. En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de Eeuwige niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte. Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel....

Vreemd genoeg stelt de Eeuwige na dit visioen Elia dezelfde vraag: “Wat doe je hier Elia?” En opnieuw geeft hij hetzelfde antwoord: “Ik heb zeer geijverd voor de Eeuwige......”

Een midrasj geeft deze gebeurtenis weer in de vorm van een dialoog:

Elia: “De Israëlieten hebben Het Verbond van de Eeuwige verbroken”

G-d: “Is het dan jòuw verbond?”

Elia: “Ze hebben uw altaren omver gehaald!”

G-d: “Zijn het dan jòuw altaren?”

Elia: “Ze hebben uw profeten met het zwaard gedood!”

G-d: “Maar jij leeft toch?”

Elia: “Maar ik ben helemaal alleen!”

G-d: “Zou je niet, in plaats van beschuldiging op beschuldiging te stapelen,

           hun pleit moeten voeren?

De bedoeling van de midrasj is duidelijk: de profeet (lees ‘de ijveraar’) is op G-ds plaats gaan zitten, maar deze verwacht van zijn profeten dat ze Israëls verdedigers zijn, niet hun beschuldigers.

Elia heeft kennelijk niet begrepen wat de Eeuwige in het visioen heeft willen zeggen. Hij moet daarom zijn functie overdragen aan Elisja. Toch wordt ook hij geëerd doordat hij naar de hemel wordt weggevoerd en in de traditie is hij bij de sedermaaltijd de gast waarop we wachten.

De teneur van deze teksten horen we terug in het prachtige lied dat zijn plaats heeft gekregen in de liturgie van Rosj Hasjanah en Jom Kippoer: Unetaneh Tokef:

Laten we getuigenis afleggen van de heiligheid deze dag

want hij is ontzagwekkend en beangstigend.

Hierop wordt Uw koningschap bevestigd en staat uw troon gegrondvest op liefde.

U hebt daarop plaatsgenomen om recht te spreken.

Het is waar dat U als enige, rechter en aanklager bent.

U schrijft en verzegelt, telt en berekent.

Alles wat vergeten is zult U zich herinneren;

U opent het boek met herinneringen.

Dat boek leest zichzelf, ieders handtekening staat er in.

 

Dan vervolgt de chazan:

Op een grote shofar wordt geblazen,

een zacht geluid van fluistering wordt gehoord

en engelen haasten zich door angst en beven bevangen ....

want volgens Uw maatstaven gaan ook zij niet vrijuit.....

In een van de vele interviews die Jonathan Sacks, voormalig opperrabbijn van Engeland, gegeven heeft, gaat er één over dit gedicht:

‘Er staat een prachtige regel in Unetaneh Tokef: “Op een grote shofar wordt geblazen en een zacht geluid van fluistering wordt gehoord”.

Hier is het G-d zelf die op de shofar blaast. Hij schreeuwt niet in je oor, het is een stille zachte stem. En dan staat er: “De engelen beven”. Het is die stille, zachte stem die de engelen bang maakt. Niet dat overweldigende geluid. Maar wanneer G-d in je oor fluistert dat je een engel bent, dát is beangstigend. Je denkt dan bij jezelf : “Wow, zó groot kan ik zijn en kijk hoe klein ik ben.” ‘

 

Ik wens jullie persoonlijk en ons als kille toe dat we het komende jaar zullen en kunnen leven als engelen.

Dra. Gonnie Blok -  1 tisjri 5776 / 13 september 2015

Nieuws

Op 7 december werd er op het in Amsterdam aan de Amstelve Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

december

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31