LJG Twente is er ook voor U.

19 augustus 2017 | 27 Av 5777

Derasja voor Kol Nidrei 5777 / 2016

Derasja voor Kol Nidrei 5777 / 2016

 

Drie weken of zo geleden, op de 23e september, begon ’s middags rond half vijf de herfst. Daar heb ik in mijn klas natuurlijk aandacht aan besteed. Eerst vertelde ik over de kanteling van de aarde ten opzichte van de zon, waardoor onze evenaar heen en weer schuift en er seizoenen op aarde bestaan. De volgende dag spraken we over het verkleuren van de bladeren en de bladval.

Dat het chlorofyl in de bladgroenkorrels vanwege het dalen van de temperatuur wordt afgebroken en de afscheidings-laag in de bladbasis die verandert, zodat de bomen hun bladeren veilig kunnen verliezen, probeerde ik op een eenvoudige manier uit te leggen. ‘Dat komt gewoon door de natuur,’ vulde een leerling aan die daarvoor nog netjes de vinger opstak. Ik had niet anders verwacht, want dat is wat we ze op een openbare school ook laten ontdekken. De aanvulling door andere kinderen maakte het leuk: ‘Want Allah heeft het zo gemaakt,’ zei er één.  ‘Onzin,’ riep een derde. In iedere klas zitten tegenwoordig wel wat kinderen met een moslim achtergrond, evenals kinderen die met zulke zaken niks hebben. Nou heb ik persoonlijk mijn eigen ideeën over het Goddelijke, maar ik vond de reacties wel leuk.

Hoe spreek je tegenwoordig over God op een rationele manier tegen jongeren, met een achtergrond waarin men gewend is alles vanuit de wetenschap te willen bepalen? En als vervolg hierop: hoe spreken we hier in sjoel op een rationele manier over God met elkaar, zoals we hier zitten en net zo veelkleurig hierover denken als de boze buitenwereld?

Ik besef dat ik al weer heel wat jaren – tien, bleek onlangs – in onze kille voordavven, en bij tijd en wijle over geloofszaken spreek, terwijl maar weinigen een idee hebben hoe ik hier in sta. Weet ik het zelf wel? Voor mij bestaat God en is Hij de oorzaak van alles wat bestaat. Maar hoe dat doorwerkt in persoonlijke en menselijke zaken, en hoe al het goede, het ware en het mooie bestaat temidden van al het slechte om ons heen, hoe het Goddelijke in ons, ons hoort aan te zetten tot goed doen, maar dat dit heel vaak niet zo werkt; dat het de slechte mens zo vaak goed gaat en andersom. Uitvinden wat God nu precies van ons verwacht; dat is nogal gecompliceerd.

Velen van ons hier zetten zich in voor een ander, voor familie of voor derden. Velen van ons hier zetten zich in voor de kille of voor andere joodse doelen. Mijn motivatie is uiteindelijk gestoeld op mijn verlangen dat het joodse leven hier in de omgeving niet verloren moet gaan. Dat wij er voor elkaar kunnen blijven zijn en dat wij God als gemeenschap kunnen blijven dienen. Wij Joden hebben ook in Twente een taak in Gods grote plannen. Overal waar wij verblijven heeft God een rol en wij dus ook. Onze naam als volk: Jisrael, dat betekent ‘strijder met God,’ drukt al uit hoe moeilijk dat moet zijn. Al het schrijven van dit droosje voor Kol Nidrei is als een geloofsstrijd.

Volgens mij is God moeilijker voor Joden dan voor mensen uit de meeste andere tradities die het geloof opnemen als een voorwaarde en als een gegeven. In God geloven is niet per sé een voorwaarde om een goede Jehoede te zijn. Het Jodendom heeft nauwelijks dogma’s als het op God zelf aankomt. Oké: Hij is één; of Zij. Verder leren we niet wat God is of hoe Hij eruit ziet; wat we ons er bij moeten voorstellen, dat mag zelfs niet eens. En zonder eenvoudig beeld in ons brein is het voor velen van ons moeilijk God in ons leven te herkennen. We hebben er geen woorden voor. Het zit ons niet ingebakken.

Ons onvermogen om God te begrijpen of uit te leggen wat het inhoudt heeft onze lange reeks van voorouders en wijzen voor ons nooit tegengehouden het te proberen. God is Genezer, Vader, Koning, Rots, Redder, de Alwetende, de Alomtegenwoordige, onze Schepper. God is liefdevol, zorgend en beschermend, maar ook jaloers, kwaad, wraakzuchtig. God troost ons wanneer we ziek zijn en lijden, maar van Hem komt ook de pest. De liturgie van onze feestdagen heeft het over God nu als Sjofet, onze Rechter, en over Awienoe Malkeinoe, onze Vader, onze Koning.

En toch: al die woorden beperken God, de Oneindige, tot iets kleiners, tot iets dat begrensd is. Want we weten hoe een koning, een rechter of een genezer eruit ziet. En in die mensen hebben we tegenwoordig vaak maar weinig vertrouwen. Want we willen van God met zijn alomvattende aanwezigheid geen Goddelijk wezen maken. En dat bewijst Hem geen dienst. 

Wanneer men tegenwoordig, ook in sjoel, mensen vraagt of men in God gelooft, zullen er een aantal handen omhoog gaan. Maar wanneer men zou vragen wie wel eens een moment van Goddelijke aanwezigheid heeft bespeurd, zullen er meer handen opgestoken worden. We kennen allemaal van deze sacrale momenten in ons leven. Wie de grootsheid van de schepping aanschouwt op adembenemende plaatsen, de schoonheid van de natuur ziet, heerlijke smaak en bijzondere geur meekrijgt, bij overwinningen en bij nederlagen, bij een niet meer verwacht weerzien, bij genezing en bij ziekte, bij geboorte en bij sterven, bij vriendschap ondanks alles, bij warmte van een ander.

Allen hebben we wel eens van die momenten beleefd, niet alleen wij Joden, maar alle mensen in alle culturen en in alle tijden.  

En niemand heeft het gelijk aan u of mij ervaren, ieders ervaring is uniek.  En toch zijn al die ervaringen universeel. Tijdens al die gevoelens ervaren we allemaal dat we deel zijn van een eeuwige verbondenheid.  

Op zulke momenten voelen we ons diepgaand verbonden met verleden, heden en toekomst. We zien in hoe alles is verbonden. Die momenten worden in het Chassidisme beschreven als wanneer ‘hemel en aarde elkaar raken.’

Maar het zijn niet altijd van die grote gebeurtenissen. Ze bestaan ook in het dagelijkse leven. De eerste sneeuwbui, donder en bliksem, de eerste kersen van het seizoen. Het is het moment waarop een kind je eindelijk weet uit te leggen wat die wil of denkt, of dat het iets heeft ontdekt wat jij al lang wist. We hebben allemaal wel eens een moment beleefd dat we ons verbaasden. Wij Joden zeggen er dan een brooche bij. Denken maakt dan plaats voor ervaren. Die momenten nemen ons mee voorbij onszelf en verbinden ons met het grotere. God geeft ons niet die ervaringen; God is die ervaring. In alle eenvoud en in alle complexiteit kunnen we God ervaren.

Zodra we over God spreken of over onze ervaringen die ons raken gaan we in een meer dan 3000 jaren gaande dialoog in onze traditie en in onze wijsheid en we strijden met al de generaties voor ons om te begrijpen hoe God ons oproept er te zijn. Ons oproept heilig te zijn, ons beste zelf te zijn. Voortdurend God te zoeken, niet alleen in sjoel of op een bloeiend heideveld of in de Grand Canyon, maar ook op straat of wanneer iemand ons de weg in een vreemde stad wijst. 

Het is anders dan hoe we God benaderen in onze gebeden van vandaag of van iedere andere dag. Het is anders dan God te framen als Rots of Redder. Nogal een uitdaging voor ons, Volk van het Boek, want de Thora zelf, het heilige boek dat via ons één van de belangrijkste zaken op de wereld is geworden, de Thora zelf is wat dat betreft al een struikelblok.

Hoe bij voorbeeld in het verhaal van Adam en Eva zij in de Hof van Eden werden geplant om die te bewerken en te onderhouden. Maar God waarschuwt ze: ‘Je kunt van iedere plant eruit eten, behalve van de Boom van Kennis. Wanneer je dat doet zul je sterven.’ De rest van het verhaal weten we. Uiteindelijk belanden we als straf buiten de Hof. Dit verhaal over God die op ons toeziet, Zich met ons bezig houdt en dan straft is al lastig te aanvaarden. Het is een van de vele manieren hoe we God kunnen zien in ons leven.

De kabbalisten, onze mystici, herschrijven dit verhaal in de Zohar, hun heilige boek naast de Thora. Ze geloven dat een van Gods namen ‘Et’ is. Het Hebreeuwse woordje dat met de eerste en de laatste letter van het alefbet wordt geschreven. Het omvat de hele spraak. Dan lezen we niet dat God de mens uit de Hof zet, maar dat de mens God uit de Hof van Eden werpt. Wajigaresj Et ha-Adam. Niet de mens is uit de Hof van Eden geworpen; de mens heeft God eruit verbannen.    

Wat een verandering: we proefden van de verboden vrucht, werden verliefd op kennis. We kwamen tot onze huidige moderne techniek en wetenschap en ontstegen de schoonheid en intimiteit van de Hof van Eden. God was er niet langer nodig. We zetten Hem eruit.

Misschien hadden we in de Hof kunnen blijven, van de overvloed van het land leven, tevreden met onze nieuwe kennis. Maar op zeker moment ontdekken we toch dat we alleen zijn. De vrucht van de Boom van Kennis is niet voldoende. Want de vrucht van de Boom van Wetenschap helpt ons het leven te verbeteren; medisch, voedsel technisch, maar het helpt ons niet onze angsten te overwinnen. Het helpt ons niet in waardigheid te leven of te sterven. Het legt ons wel uit hoe frequenties werken, maar laat ons niet een stuk muziek waarderen.  

Moderne wetenschap negeert ons menselijk verlangen onszelf te ontstijgen om het doel van ons bestaan te ontdekken. In de Zohar was onze grootste fout niet het eten van de verboden vrucht – kennis is goed. Onze grootste fout is dat we niet meer weten dat we nog steeds in de Hof van Eden leven. We hebben niet genoeg waardering, nederigheid, ontzag voor de schoonheid en het mysterie dat rondom ons is.

Rabbijn Awraham Joshua Heschel schreef: ‘Ontzag stelt ons in staat in deze wereld Goddelijke tekenen gewaar te worden; in kleine zaken het begin van oneindige belangrijkheid te zien, het ultieme in het gewone en eenvoudige te ontdekken.’ 

Meer dan geloof, meer dan daden beschouwt Heschel ontzag als beginpunt van een religieus persoon. Omdat ontzag ons helpt de tekenen van het Goddelijke te herkennen, die ons omringen. Ontzag plaveit de weg voor Gods terugkeer naar de Hof van Eden waar wij al leven. Wanneer wij iets richting God opschuiven zal Hij grote stappen nemen in onze richting. Tesjoewa. Dit verhaal bevat de crux van Jom Kipoer. Al mogen we ver van God verwijderd zijn; we kunnen altijd op pad gaan terug naar Hem.

Met Jom Kipoer wordt ons gevraagd Tesjoewa te doen, terug te keren, waarheen keren we dan terug? Een gebroken relatie? Een beter Ik? Een nog onbegrepen doel?

We weten wellicht nog niet precies waarheen we moeten en hoe we moeten gaan. Maar de koning zegt: ‘Keer om tot mij en Ik zal naar jou toe keren.’

In de traditionele gedachten is God Awienoe Malkeinoe. Vader en Koning God is duidelijk als een ouder voor ons en als onze koning. Wij spelen de rol van het kind en dan in een zeer afhankelijke positie. Maar dan wil ik óns zien als degenen die in de mystieke hof van de koning, de Hof van Eden zitten, terwijl Hij, God, van ons verwijderd is, omdat wij zo’n afstand van hem genomen hebben.

Misschien kunnen we deze Jom Kipoer het proces van tesjoewa beginnen door God uit te nodigen tot ons terug te keren. En terwijl we van beide zijden proberen tot elkaar te komen omdat onze diepste verlangens de hemelpoorten openbreken – waardoor hemel en aarde elkaar weer kunnen raken – misschien zullen we dan inzien dat God al die tijd, hoewel we Hem maar niet zagen, toch gewoon bij ons was.

 

Ik wens u allen, namens mezelf en het bestuur, een goede Jom Kipoer, een licht vasten en een goede inschrijving en bezegeling.

Tsom kal, we-chatiema tova. 

Bert Oude Engberink, Kol Nidreï 5777 - 10 tisjri 5777 / 11 oktober 2016 

Nieuws

UNESCO, Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

augustus

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31