LJG Twente is er ook voor U.

19 augustus 2017 | 27 Av 5777

Droosje voor erev Rosj haSjana 2014 - 5775

Droosje voor erev Rosj haSjana 2014 - 5775

Toen de Eeuwige overwoog de mens te scheppen, raadpleegde Hij alle engelen in de hemel. Aldus een midrasj. De malachei hechased, de engelen van compassie, zeiden: “Laat ze maar geschapen worden, want ze zullen vol mededogen handelen.” De malachei hasjalom, de vredesengelen, zeiden: “Creëer ze niet! Ze zullen de aarde vullen met conflicten, met strijd en jaloezie.” De malachei hatsedek, de engelen der rechtvaardigheid, zeiden: “Laat de mens maar ontstaan, want de mens zal uiteindelijk recht nastreven.” En de malachei ha-emet, de engelen van de waarheid, zeiden: “Laat ze niet ontstaan: de mens zal liegen en bedriegen.” En wat deed de Eeuwige? Hij verbande de engelen van de waarheid IN de aarde en schiep de mens er bovenop.

De rabbijnen van de midrasj begrepen dat er iets niet verenigbaar is tussen de mens en de waarheid. Om de mens te kunnen laten bestaan, moet blijkbaar de waarheid af en toe begraven kunnen worden. Er bestaan waarheden die we niet kunnen weten, die we beter niet kunnen ontdekken, wanneer we een gewoon leven willen leiden. Ten minste – gedurende het jaar. Maar met de nu gekomen feestdagen worden we opgeroepen de waarheid op te graven en onder ogen te komen. We zijn verplicht te weten te komen wat we de rest van het jaar liever laten rusten. We zullen terug moeten kijken naar ons denken en handelen, en vast een blik vooruit willen werpen naar hoe we dat denken in de voor ons liggende periode gaan doen.

Dit zijn dus de Jamiem Noraiem, vertaald niet zozeer de Hoge Feestdagen, maar de Dagen van Ontzag. Dit zijn niet zomaar gezellige, makkelijke feestdagen. Die komen nog: Soekot en Sjemini Atseret en Simchat Thora volgen. Maar nu moeten we eerst met onszelf belangrijke en pijnlijke gesprekken voeren. Deze dagen dwingen ons de waarheid onder ogen te zien. We brengen tijd door in sjoel, ver weg van de verlokkingen thuis, op het werk, onder anderen. En we zitten hier de komende anderhalve week heel wat uren; tijd genoeg om eens na te denken, te bidden en ons te verbazen. Er zal op de sjofar worden geblazen, ooit het alarmsignaal, nu symbool van spiritueel ontwaken. De Joodse wake-up call.

We lezen de tekst morgen en met Jom Kipoer: berosj hasjana, jekateivoe, oewejom tsom kippoer jechateimoe. (Blz. 134) Op de eerste dag van het jaar, Rosj haSjana, wordt het geschreven, op Grote Verzoendag wordt het bezegeld. Hoevelen zullen gaan, hoevelen geboren zullen worden. Wie zat van dagen; wie in zijn bloei. Wie op zijn tijd en wie voor zijn tijd zal gaan. En hoe dan wel precies.

En of je nu beeft van vrees voor God bij deze tekst. Hij is immers rechter van al wat leeft, de beschikker over leven en sterven. Bestaan en leegte. Of dat je je gewaar wordt van de waarheid van de broosheid van het bestaan, hoe kort en eindig onze dagen kunnen zijn. Hoe beperkt onze veiligheid. Wat zal een nieuw jaar ons nu weer brengen. Hoe alles anders kan gaan dan verwacht, dan gehoopt, zonder waarschuwing.

Want we hebben uiteindelijk maar weinig zelf in de hand. Met de muren die we rondom ons optrekken kunnen we ons echt niet beschermen tegen onheil of onrust. Noch onze geboorte, noch ons sterven hebben we zelf in de hand. Je werkt hard voor je baas en opeens sta je buiten. Maar daar voortdurend bij stil te staan zou ons gek maken.

Wat we met Rosj ha-Sjana niet kunnen bevatten doen we met JK weer over. We oefenen dan zelfs ons sterven. Met Rosj ha-Sjana bespreken we het; met JK doen we het. We vasten en we onthouden ons van alle geneugten des levens. We zeggen onze vidoei, ons stervensgebed. Sommigen dragen zelfs een kittel, ons doodshemd, op kousenvoeten. In de middeleeuwen waren er monniken die in hun doodskist sliepen, zodat ze ’s nachts konden overdenken wat hun einde zou zijn. Morbide. Een keer per jaar doen wij ook zoiets. En aan het einde spreken we ons stervensgebed uit. Ons sjeimes.

Heel vroeger zei men dan “Oetesjoewa, oetefilla oetsedaka mevatlim et ha-gezeira.” Inkeer, gebed en goede daden herroepen dit besluit. De middeleeuwse rabbijnen veranderden deze tekst, want ze beseften dat uiteindelijk iedereen eindig is en toen zeker het lot vaak verschrikkelijk kon zijn: ziektes, vervolgingen, ongeluk. Maar men kan wel proberen iemands leed te verzachten, ziekte te genezen en troost te brengen. We kunnen bemoedigen, maar uiteindelijk is het voor iedereen zover.

Aldus veranderden de rabbijnen twee woorden. Het werd: “Oetesjoewa, oetefilla oetsedaka  ma’aviriem et roa hagezeira.” Ma’avir is van oveer, oversteken, passeren, ons door het leven helpen. En niet het besluit zelf, maar ‘et ha-roa,’ het kwade, de pijn; de pijn van het menselijke bestaan kan worden omgezet. Hoe komen we dat leven door? Door tesjoewa, tefilla en tsedaka. Zo transformeren we het dagelijkse leven van onszelf en elkaar. Geen drie afzonderlijke handelingen, drie onderscheiden momenten, maar meer drie stappen op onze weg naar Joodse wijsheid. Het is het pad naar onze verlichting.

Materieel hadden we het nog nooit zo goed als nu. Tevje de melkman, hij wou graag rijk zijn. Wij zijn het, in gradaties dan wel. We hebben eten, vrijheid, bescherming, medische zorg, pensioen, onderwijs. We hebben een eigen land. Wel twee heb ik er: Nederland en Israël. Nog nooit hebben zoveel joden niet langer ’s nachts te huiveren voor een klop op de deur. Beseffen we dat wel?

En toch is er iets bij Tevje dat onze generatie mist. Niet zijn honger, zijn makkes, zijn Russen, zijn vervolgingen, maar hij had een besef van zijn plaats hier op aarde, zijn betekenis voor het grote wereld-al, zijn aandeel in de schepping. Hij wist wat God van hem verwachtte. Dan voel ik me vaak arm. We vragen ons veel af: waarom, hoe, waarom ik, moet dat, we zijn zo moe, we hebben geen tijd, we worden niet gehoord. Ons leven schijnt zo kort en beperkt te zijn, en we kunnen het nooit meer over doen. Uiteindelijk zit het hem niet in onze volle agenda’s of voortdurende rugpijn. De oplossing zit hem ook niet bij de therapeut, de councellor, de geleerde dokter, de volgende vakantie. Het zit dieper. Tijdens al ons jagen naar meer en beter hebben we iets in ons verwaarloosd. Waar halen we het vertouwen vandaan wanneer we grote beslissingen moeten nemen. Een verpleeghuis of niet, reanimatie of niet, acceptatie van iets of niet. Nietsche, een Duitser uit de 19e eeuw, zei: God is dood. Zoek het zelf maar uit. 

Maar God roept tot ons. Al sinds Adam en Eva. Ajeeka? Waar ben je? Tesjoewa betekent bereid te zijn hierop een antwoord te geven. Niet te zeggen: ik verberg me, maar: hinenie. Hier ben ik. We gaan naar sjoel en het voelt goed. Samen zijn en de gezangen van de feestdagen weer meezingen. Onze kille, onze gemeenschap voelt goed.

Kehilla zijn is een weg, maar het is meer. Het is een weg naar huis. Maar voor velen ver weg. Probeer nooit verdwaald te raken.

En chassidisch verhaal van Scholom Asch, over een oud joods echtpaar in Rusland. Ooit heeft het Russische leger hun zoon als knaapje ontvoerd om te gaan dienen als soldaat en zodoende zijn jodendom te vergeten. De Russische oplossing van het Joodse vraagstuk. Het lot van alle Russisch-Joodse jongens. Dat echtpaar wordt nu gedwongen zelf een soldaat in te kwartieren. Ze moeten hun slaapkamer uit en de jonge vent, Jevgeny, gaat er moe, vies, mopperend en ontevreden in, met zijn geweer en rugzak. Het is vrijdagavond en het stel bereidt zich voor op sjabbes. De soldaat neemt zijn plaats in aan tafel. Hij staart naar de oude vrouw die de kaarsen aansteekt. En luistert naar de kidoesj en motsie van de oude man. En stouwt dan het brok challe naar binnen wat hij toegestoken krijgt. Het eerste wat hij nu zegt is: “Ya khochoe bolsje - Ik wil meer” en hij krijgt meer. Dan kijkt hij in de sidoer van de oude man.

Dit moment heeft hem ineens geraakt. Hij staat op, zegt tegen de oude man hem te volgen naar zijn, naar hun kamer. Daar gooit hij zijn rugzak op bed en ploegt er net zo lang doorheen tot hij een vuil pakje in zijde met een touwtje erom eruit haalt. “Vy mozhete skazat’mne, chto eto takoye - Kun je me zeggen wat dit is?” vraagt hij aan de oude man.

De oude man neemt het pakje op, opent het voorzichtig en vindt erin een kleine talles, een kleine set tefillin en een klein boekje met Hebreeuwse gebeden. “Kak zhe vy yego vzyali? Hoe kom je hieraan?“ vraagt hij aan de soldaat. “Y menya vsegda byli so mnoy - Dat heb ik altijd bij me gehad,” zegt de soldaat. De oude man opent het sidoertje en leest de opdracht op de binnenkaft met tranen in zijn ogen. ‘Far indser yingel Jossel, genommen fun unds wyy a klainer yingelle - Voor onze jongen, Jossel, ons als jongetje afgenomen. Mocht je ooit je bar mitswe leeftijd bereiken, weet dan dat je mamme en tate nog steeds van je houden.”  

Scholom Asch schrijft geen happy end aan dit verhaal.

Wij hebben dat pakketje ook bij ons. Vol met onze levenswaarheden. We weten van onze kwetsbaarheid, onze eindigheid, al onze angsten.

Jaar na jaar, terwijl we ouder worden, wordt onze rugzak zwaarder en onhandiger. Bijna niemand opent die rugzak ooit. Maar mocht je er een keer inkijken dan zul je zien dat helemaal onderin ook een waardevol persoonlijk geschenk zit van jouw schepper. Daar onderin zit je joodse ziel, je nesjomme. Pak het uit. Dat is wat we vandaag en de komende dagen weer kunnen doen. Want Inkeer, gebed en goede daden, dat is de happy end aan ons verhaal. Zij zetten ons op onze Joodse weg.

 

Ik wens ieder een goed en zoet nieuw jaar. Sjana tova oe metoeka. 

en uiteindelijk een chatiema tova, een inschrijving ten goede. 

 

1 tisjri 5775 / 24 september 2014 - Bert Oude Engberink 

Nieuws

UNESCO, Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

augustus

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31