LJG Twente is er ook voor U.

16 december 2017 | 28 Kislev 5778

Parasjat Misjpatiem

Parasjat Misjpatiem

 

 

Afbeelding: Richteres Debora, van Charles Landelle, 1901                                      

Bron: anneofcarversville.com

Verleden week hebben we bij Sinaï gestaan en hebben we gehoord dat Jithro Mozes heeft aangeraden om naast hem andere rechters aan te wijzen. De grote zaken moeten door Mozes zelf behandeld worden.

De sidra van deze week is Misjpatiem, ‘oordelen’. Ze hebben alles te maken met die rechtspraak. Je zou deze misjpatiem de grondwet van Israël kunnen noemen. Ik wil vanmorgen aan drie gevallen uit het gelezen deel van deze grondwet aandacht besteden.

Al bij het eerste vers worden we geconfronteerd met een merkwaardig voorschrift:

Dit zijn de rechtsvoorschriften die je hun zult voorleggen:

Als je een Hebreeuwse slaaf koopt, zal hij zes jaren dienen en het zevende jaar gaat hij in vrijheid heen; niets betaalt hij.....(Ex.21: 1,2).

Hoe kan dat? Was het ons niet verboden om uit het eigen volk slaven te nemen? We waren immers uit Egypte bevrijd en zouden voortaan als vrije mensen - en niet als slaven - leven?

Want zij zijn Míjn knechten, die Ik uit het land Egypte heb geleid: zij zullen niet verkocht worden zoals men een slaaf verkoopt......Maar de  slaaf of slavin, die jullie houden, zullen zijn uit de volken rondom jullie; uit hen zullen jullie je een slaaf of slavin kopen (Lev.25: 42-45).

Met dit eerstgenoemde rechtsvoorschrift gaat de Eeuwige schijnbaar tegen zijn eigen principes in en houdt zich niet aan Zijn voorschriften. Verschillende commentatoren hebben zich hierover het hoofd gebroken. Samson Raphaël Hirsch, leider van de Neo-Orthodoxe beweging in Duitsland (1808-1888), zegt in een commentaar op deze tekst, dat de slaaf waarvan hier sprake is, duidt op de dief uit hoofdstuk 22: 1-3.

Misschien werpt deze tekst enig licht op ons probleem.

Indien de dief bij een inbraak betrapt wordt en geslagen wordt zodat hij sterft, dan is er wegens hem geen bloedschuld. Indien de zon hem beschenen heeft, dan is er bloedschuld voor hem; hij moet betalen, heeft hij het niet, dan wordt hij verkocht wegens zijn diefstal.

Ik kan niet zeggen dat deze tekst me iets verder helpt; integendeel, hij roept alleen nog maar meer vragen op. Kennelijk suggereert de tekst dat de dief is doodgeslagen en omdat de eigenaar uit noodweer heeft gehandeld, rust er geen bloedschuld op hem. Hoe kan het dat de dief die doodgeslagen is de volgende dag toch blijkt te leven? Hij moet immers betalen en kan hij dat niet, dan moet hij als slaaf verkocht worden?

Hier hebben we nu een mooi staaltje vertaalwerk van een zeer compacte Hebreeuwse tekst. Ik vertaal nu letterlijk wat er staat:

Als bij inbraak de dief gevonden (als men de dief vindt) , en slaat, en sterft, er is aan hem geen bloed. Wanneer de zon hem beschenen heeft, aan hem is  bloed, betalen, betalen moet hij....

Het is gebruikelijk in een Hebreeuwse zin dat het onderwerp vaak niet met name wordt genoemd, zelfs het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ of ‘zij’ ontbreekt vaak. Het kan zelfs gebeuren dat halverwege de tekst zonder enige aankondiging de genoemde ‘hij’ ineens een andere persoon is. Dat maakt de tekst  moeilijk en voor meerdere uitleggingen vatbaar.

Het tweede woord levert ook de nodige problemen op: er staat במחתרת . Machteret is : de ondergrondse, of een duistere handeling. Als het om een dief gaat weten we dat het om een diefstal gaat, dus moeten we kiezen voor de duistere handeling. Maar waarom wordt er dan in verschillende vertalingen gezegd ‘nachts?' Omdat er in beide een notie is van duisternis of ondergronds, of...omdat er verder in de tekst een tegenstelling gemaakt wordt met ‘als de zon hem beschenen heeft;’ dus: als het dag is.

Maar dan blijft de vraag:

-         wie vindt de dief?

-         wie slaat?

-         wie sterft?

-         aan wie is geen bloed?     

Met evenveel recht kunnen we de tekst als volgt begrijpen:

De inbreker slaat de eigenaar van wat hij wil stelen, deze sterft, maar hij heeft geen bloed aan zijn handen. Alleen als de zon hem beschenen heeft, dan wèl. Of was het een toevallige voorbijganger? Ook dat is nog mogelijk.

Sommige commentatoren vatten de uitdrukking ‘er is aan hem geen bloed’ op in de figuurlijke betekenis ”Als je zoiets doet, heb je geen bloed: dan ben je geen mens." Maar omdat we hier met rechtsuitspraken te maken hebben geef ik de voorkeur aan de letterlijke betekenis. Uit de context blijkt dat de dief de eigenaar doodgeslagen moet hebben, maar zolang het nacht is en de feiten nog niet zijn onderzocht, rust er geen bloedschuld op hem. Je weet niet wat er gebeurd is. Maar overdag wordt duidelijk of deze zgn. inbreker inderdaad een dief is: wordt het gestolene bij hem aangetroffen?  Zo ja, heeft hij dan ook de eigenaar gedood en was het dan moord of doodslag?

Kennelijk gaat het hier om doodslag want de inbreker moet compensatie betalen en als hij dat niet kan, moet hij als slaaf verkocht worden. Maar.... tot het zevende jaar. Hirsch wijst er dus terecht op dat hier een voorbeeld is van een geval waar ook een Israëliet als slaaf verkocht moet worden. De man verliest zijn leven niet, wordt wel als slaaf verkocht, wat op zichzelf al als een verlies van leven of grip op het leven wordt ervaren, maar na zes jaar heeft hij geboet en krijgt hij een nieuwe kans. Tevens is dit geval een duidelijke waarschuwing voor wat er kan gebeuren: jaloersheid, afgunst, kan leiden tot diefstal en uiteindelijk tot doodslag of moord. Al deze fasen worden nadrukkelijk genoemd in de Tien Woorden uitgesproken op Sinaï.

Dan kort het tweede geval:

Vs. 7 Wanneer iemand zijn dochter verkoopt als slavin.....

Wat afschuwelijk zoals in het Jodendom met vrouwen wordt omgegaan!!

Maar de grote vraag is hier: hoe heeft het zover kunnen komen dat een vader zijn dochter als slavin heeft moeten verkopen?

Uit het vervolg van de tekst blijkt dat ze niet zomaar als slavin verkocht is, maar dat de heer haar ‘voor zichzelf’ bestemd had. Het is duidelijk wat hiermee bedoeld wordt. Als ze hem niet bevalt, kan ze rustig doorgeschoven worden naar de zoon. Het was en is nog vaak gebruikelijk in veel culturen dat een meisje of een vrouw geen enkele rechtspositie had. De man heeft het in deze te vertellen; hij beschikte vrijelijk over zijn vrouw(en), zusters, schoonzusters of eigen dochters. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. De Tora neemt hier duidelijk stelling tegen. De situatie voor de vader zal uiterst moeilijk zijn geweest. In de Talmoed staat in tractaat Kiddusjin 20a dat de vader wel tot uiterste wanhoop moet zijn gebracht voordat hij deze beslissing nam. Hij moet alles in zijn huis verkocht hebben.

En dan rijst de grote vraag naar de verantwoordelijkheid.

Wanneer er onder jullie een arme mocht zijn, een van je broeders, in een van je woonplaatsen, in het land dat de HERE je G-d je geven zal, onderdruk dan niet je medegevoel bij jezelf en houd je hand niet krampachtig gesloten voor die behoeftige broeder, maar open wijd je hand voor hem en geef hem gul te leen, voldoende voor wat hem ontbreekt.

Pas er voor op dat niet de minder aardige gedachte bij je opkomt: ”het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding is al heel dichtbij,” zodat je onwillend tegenover je armlastige broeder zou worden en hem niets zou geven.......

Geven moet je hem en je moet er geen spijt van hebben, als je hem geeft, want terwille daarvan zal de Eeuwige, je G-d, je zegenen in al je werk en in alles wat je onderneemt.

Omdat armen wel nooit zullen ontbreken in je land, daarom gebied ik jullie: “Open wijd je hand voor je broeder, voor de arme en de behoeftige bij jou in je eigen land” (Deut. 15:7-11).

Het is dus door nalatigheid van het volk dat deze man in een dergelijke situatie is gekomen. Een levensgrote vraag die we onszelf moeten stellen: hoe komt het dat zoveel kinderen en vrouwen in onze tijd in vergelijkbare situaties zijn gekomen? Ook was het de plicht van de gemeenschap om voor een arm meisje voor een bruidschat te zorgen, dus ook op dat punt heeft men het laten afweten.

Tot slot het geijkte misbruik van de volgende tekst:

....Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een voet voor een voet.....

Dit wordt altijd uitgelegd als een uiting van wraak. Als je mij een tand uit slaat, dan gebeurt dat ook bij jou. Zo was het ook in die tijd gebruikelijk. Maar ieder logisch denkend mens zal begrijpen dat het hier om heel iets anders gaat. Wat heeft iemand er aan wanneer hem een tand is uitgeslagen dat de dader ook zonder tanden loopt? Maakt dat zijn leed minder? Wanneer iemand zijn slaaf zo slaat dat hij zijn tanden verliest, dan moet hij hem zelfs vrij laten terwille van zijn tanden, daar heeft het slachtoffer wat aan. Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt is: נתתה , - natata - geef hem, niet neem van de dader. Het is dus een oproep aan de dader tot het geven van een vergoeding.

Wat verbindt nu deze drie voorbeelden?

Dat er oog is voor een slachtoffer, maar ook voor de dader. De slaaf blijft niet eeuwig slaaf, de verkochte vrouw moet bij slechte behandeling vrijgelaten worden en krijgt zelfs in sommige gevallen nog een vergoeding mee; de dief moet het gestolene vergoeden, maar begint daarna zonder strafblad en kan opnieuw zijn leven beteren.

De wetten van de Tora steken in ethisch en moreel opzicht mijlenver uit boven die van de omringende culturen. Na het terugbrengen van de Tora naar de aron hebben we gezongen: 

"...want een goede leer heb Ik jullie gegeven, Mijn Tora, verlaat haar niet. Een levensboom is ze voor wie eraan vasthouden en gelukkig zijn zij die erop steunen. Haar wegen zijn aangename wegen en al haar paden vrede."

We boffen toch maar...

Sjabbat sjalom !

Sjabbat 25 januari 2014 - Gonnie Blok

Nieuws

Op 7 december werd er op het in Amsterdam aan de Amstelve Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

december

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31