LJG Twente is er ook voor U.

21 oktober 2017 | 1 Heshvan 5778

Parasjat Zachor

Parasjat Zachor

Vandaag, Sjabbat Tetsawee, de laatste Sjabbat voor Poeriem, wordt de Thoralezing met drie verzen uitgebreid uit het boek Dewariem (25:17-19), die ons opdragen niet te vergeten wat Amalek ons heeft aangedaan. De haftara handelt ook over de oorlog die gevoerd werd tussen Israël en Amalek in de dagen van de profeet Samuel. Hoofdfiguur is koning Agag, voorouder van Haman, over wiens slechtheden we lezen in het bijbelboek Esther, komende woensdagavond, met Poeriem. Geen toeval, dus.

Onze informatie over Amalek en over de Amalekieten is schaars. Slechts een paar zinnen in de bijbel en dat is het wel zo ongeveer in de wereldgeschiedenis. Over veel verdwenen volkeren in het Midden-Oosten vinden we tekst en materiaal; over Amalek niet veel meer dan wat in de bijbel wordt geschreven. Hun verdiende straf. Hun aandenken is uitgewist uit het geheugen der mensheid. Zo is het ons opgedragen en we zijn er aardig in geslaagd. Hun handelen is echter nog lang niet tot geschiedenis verworden. Door de eeuwen heen zijn onze grootste vervolgers gezien als nazaten van die Amalekieten. En misschien loopt er wel steeds een bloedlijn, maar weten we dat niet. Zij waren een nomadische stam die rondzwierf tussen Egypte en de Arabische Woestijn en zij voerde eeuwenlang oorlog tegen het kleine en nog jonge en broze Israël. Wellicht Amaleks grootste bedreiging in hun toenmalige broodwinning – de roof van ronddolende kleine handelaren – ons lot, lijkt het wel. Hun strijd is vals, zonder enig eergevoel. De ronddolende Israëlieten in de rug aanvallen, daar waar de vrouwen, de oudjes en de kinderen te vinden waren. Dat is dan ook de reden dat we zo genadeloos wraak op ze moeten uitoefenen. Onze strijd, onder leiding van Mozes en Aharon en Jozua, was onze eerste ervaring met oorlogvoering na de Uittocht, en is de meest traumatische gebleken. Zolang Amalek ons bleef bedreigen zou Israël geen rust kunnen vinden. Pas koning Chizkia, van de watertunnel in Jeruzalem, 727 – 698 vdgj, rekent volledig met ze af als volk.

Wanneer de profeet Samuel koning Saul instrueert hoe oorlog te voeren tegen Amalek is een van de voorwaarden dat alles, dus mensen en de buit, vernietigd moet worden. Maar als een echte veldheer trekt Saul er op uit, verslaat het leger, laat de soldaten executeren, plundert de buit deels voor eigen gewin en laat zijn collega-koning in leven. En dat was zijn grootste fout. Want lezen we komende week Esther dan is het eerste wat we over Haman ben Hammedata lezen dat hij Agagiet is: een nakomeling van Agag, die dus nooit geboren had mogen worden. En Mordechai? – hij is de nazaat van koning Saul, de Benjaminiet. De strijd tussen Saul en Agag wordt dus nog een keer overgedaan door hun verre nageslacht. Iesj Jehoedi, letterlijk vertaald: een jodeman, wordt Mordechai hier genoemd. Voor het eerst wordt de naam verbonden aan onze stam Jehoeda voor ons volksbestaan gebruikt. En zal er nog vaak voor worden misbruikt.

De strijd was toen, zoals het nu zou wezen, een zaak van leven of dood voor de twaalf stammen. Misschien is het moeilijk ons in hun positie te verplaatsen, maar het leven was toen niet veilig, zeker niet zolang die Amalekieten ons konden blijven aanvallen. Vergelijk ze met de moordenaarsbenden van de Nazi’s en van de huidige schurken van de Islamitische Staat. Pas wanneer ze volledig uitgeroeid worden kunnen we weer verder met ons leven. De haftara bevestigt dat de mitswa de Amalekieten uit te roeien van God zelve kwam, hoewel het moeilijk voor ons is voor te stellen dan de Alomtegenwoordige Genadige God oproept een heel volk uit te roeien. Maar dat is wat er staat: het was een oorlog van God. In 2015 een enge gedachte. De jihad is dat namelijk ook en graag nemen ze ons te pakken. Ook onze oudjes en kinderen. Hoe moeten we dit zien?

Er zijn er die het boek Samuel willen zien als een duidelijk profetenboek. Dit is wat God wil, en wie zijn wij om Hem op Zijn uitspraken aan te spreken?

Anderen zien dat weer anders en geloven toch ook in Gods leiding van zijn volk Israël. Dan zit je in het denken van hen die zien dat ooit Israël een lange oorlog om te overleven heeft gevoerd en dat hele gebeuren heeft uitgelegd als de Wil van God, inclusief de schoonheidsfoutjes, die bij oorlogvoeren optreden. Tenach horen we, behalve als ons heilige boek, niet beoordelend te lezen, maar te lezen voor wat het is: een lang verslag van onze geschiedenis, geschreven steeds weer in zijn eigen tijd, dat ons niets verzwijgt en niemand ontziet. Een fout declarerend kamerlid zou er ongenadig in zijn afgekomen; een president die aan dames zit zou geen tweede termijn vergund zijn. Voor die tijden dus een ongekend hard boek voor de heersende klassen. Een ding is zeker: oorlogen zijn er in de loop der eeuwen niet humaner op geworden, met of zonder bijbel en internationale conventies.

De voortdurende opdracht uit deze achtste lezing aan ons als volk is duidelijk: 'Gedenk wat Amalek U aandeed. (...) Zorg er dan voor dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.' Het kwaad van Amalek, het gewetenloos je eigen gewin najagen ten koste van iedere vorm van menselijkheid, uit het denken van de mensheid uit te roeien.

Hoewel wij het afslachten van burgers, vrouwen, kinderen en ouden van dagen echt nooit als Gods wil zouden uitleggen, is dat wereldwijd nog lang geen gemeengoed. Wij hebben nog veel te doen.

Ik wens u Sjabbat sjalom.

28 februari 2015 / 9 adar 5775 - Bert Oude Engberink 

Nieuws

UNESCO, Lees meer >>
Onze Joodse buren, de Synagoge van de Nederlands Israelit Lees meer >>
Information in English Lees meer >>

oktober

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31