LJG Twente is there for you

20 October 2019 | 21 Tishri 5780

Derasja Sjabbat Kie Tissa

Derasja Sjabbat Kie Tissa

In de sidra van vandaag zijn we begonnen te lezen vanaf het moment dat de toestanden rondom het gouden kalf weer waren beëindigd. Over twee jaar staat dit deel van deze parasja weer op ons leesrooster. Wat we nu wel lazen ging over het moment na de gebeurtenissen rondom het gouden kalf, dat Mosje aan God vroeg Hem eens te mogen zien – en dat hier de zgn. sjelosj esree middot, de dertien attributen worden uitgesproken, die we op verschillende momenten bij feestdagen steeds weer uitspreken. Adonai Adonai, El rachoem wechanoen etc. Het moment van de dans om het gouden kalf was een waterscheiding in het vertrouwen dat God in onze voorouders in de wildernis had. Maar herderlijk als altijd pleit Mosje voor zijn volk en weet hij God te bewegen het nog maar eens opnieuw te proberen.

Er bestaat een aantal grote vragen rondom het gouden kalf. Hoe kon het gebeuren dat het volk zo snel na de uittocht en bij de afwezigheid van Mosje kon terugvallen tot aanbidding van een zelf gebouwd voorwerp. Beschouwden de Israëlieten dat gouden kalf wel als een andere, een nieuwe god ter vervanging van Hasjem? Rabbijn Ibn Ezra vraagt zich af of er een verband bestaat tussen het gouden kalf en de gouden cheroebiem die op de arke moeten worden geplaatst?  

In de bekende ‘Plaut,’ de Amerikaanse choemasj met verklaringen, las ik de volgende toelichting.

Eigenlijk, als we de tekst van over dat gouden kalf goed lezen zullen we zien dat het eigenlijk niet als een nieuwe godheid werd beschouwd. Het volk was sinds Mosje de berg opging zonder leiderschap en zijn in hun ogen veel te lange afwezigheid boezemde hen angst in. Mosje was immers al die tijd, eigenlijk al vele jaren, hun lijfelijke en zichtbare contactpersoon geweest met de onzichtbare en onbenaderbare God in de hemel en het was juist die vorm van contact waarnaar ze verlangden als teken dat ze niet door God in de steek waren gelaten. Stieren in de oudheid, ook in Egypte, waar men vandaan kwam, werden overal beschouwd als krachtige en vruchtbare aardse verschijningen van hemelse goden. Juist zo’n aardse voetenbank moest hierna worden gecreëerd, namelijk de cherubijnen, de keroewiem op de Ark des Verbonds, wanneer het heiligdom opgericht moet gaan worden. Wie goed leest ziet dat de Israëlieten er echt niet van overtuigd waren dat het door hun ingezamelde goud zou kunnen worden omgetoverd tot een echte en levende en almachtige God; het gouden kalf moest een nieuwe verbinding vormen tussen hen en God nadat Mosje was verdwenen en zoals men vreesde, iets was overkomen daar boven op die berg. Mosje, hun aardse menselijke voetenbank voor God, werd zogezegd vervangen door een kalf uit goud.

Dus nadat het volk een gouden kalf als voetenbank had vervaardigd dat direct erna werd verwoest en vermalen tot goudstof dat zelfs door het drinkwater moest worden geroerd, kreeg het zelfs de hemelse opdracht nu maar een voetenbank op de Ark des Verbonds te creëren bestaande uit niet één, maar uit maar liefst twee gouden cherubijnen. Het goud moest zelfs weer worden ingezameld onder het volk, gelijk dat gebeurde voor het gouden kalf. De middeleeuwse dichter Jehoeda haLevi - schrijver van de Koezari -  stelde dat het enige verschil tussen het kalf en de cherubijnen eruit bestond dat de eerste een spontane volksactie was en de tweede een bevel uit de hemel. Het kalf was symbool voor een breuk in het vertrouwen in God, geen verwerping van God, noch een terugkeer naar afgoderij. De straf, best heftig overigens, was dus ook niet van permanente aard, maar bestond eruit dat het volk een tot in alle details uitgestippeld bouwplan kreeg om een heiligdom neer te zetten waarvan de bouwtekening van boven kwam – en niet door het volk zelf ontworpen. God houdt graag zelf de regie.

Het bouwen begon met een inzameling van bouwmaterialen, dat met zo’n enthousiasme werd uitgevoerd dat er zelfs teveel binnenkwam. ‘Stop – genoeg,’ moest er worden geroepen. Blijkbaar was het volk zo blij dat alles toch nog goed kwam, dat Mosje uiteindelijk de tweede keer naar beneden kwam met het definitieve stel stenen tafelen en dat God verklaarde: ‘salachti’ – ik heb vergeven. Het was de eerste keer Jom Kipoer op aarde. Zij hadden opnieuw het vertrouwen gekregen dat God met hen verder wilde en weer opnieuw met Mosje als hun tussenpersoon naar God.

Het dan gebouwde heiligdom zal de functie krijgen van verbindingsplaats tussen de hemel en de aarde. Tijdelijk, want koning Sjelomo zal later een stenen tempel bouwen. En na de Babylonische ballingschap zal Nechemia de tweede tempel in Jeroesjalajim neerzetten, die weer door Rome zou worden neergehaald. Het lijkt er sinds eeuwen op dat uiteindelijk de bánd die wij met onze hoofdstad Jeroesjalajim hebben die tempelfunctie heeft overgenomen als verbinding met God en met de eeuwigheid, teruggaand naar dat moment dat wij zo hunkerden naar fysiek contact met God, waarover wij vandaag lazen. 

Sjabbat sjalom. 

 

Sjabbat 23 februari 2019 / 18 adar I 5779 - Bert Oude Engberink 

October

  • <  
  •   >
S M T W T F S
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31